Meerssen, een droom uit 1818

Zie ook:
Andere documenten m.b.t. godsdienstige aspecten in vroeger eeuwen in Limburg

Inleiding

De aanleiding voor dit artikel is een korte handgeschreven tekst in een antiquarisch boek uit 1742, geschreven door een vrouw in 1818. Deze tekst maakte me nieuwsgierig. Wie was die vrouw, wie waren de mensen die ze noemt, wat waren de historische achtergronden? Het gaat o.a. over de protestantse gemeente van Meerssen. In 1818 was Meerssen onderdeel van het piepjonge koninkrijk Nederland, daarvoor hoorde het 20 jaar bij Frankrijk en vanaf 1648 bij de Republiek Nederland. Eerst een korte schets, dan de bewuste tekst en naar aanleiding daarvan nog enkele onderzoekjes.

Schets van de godsdienstige ontwikkeling in de staatse gebieden van de landen van Overmaas vanaf 1648

zuidlimburg1794In 1648 was de vrede van MŁnster. Het huidige Zuid-Limburg werd opgedeeld: een aantal heerlijkheden bleef zelfstandig zoals Gronsveld en Rijckholt. Het grootste deel werd echter verdeeld tussen Spanje en de Republiek Nederland. Op nevenstaand kaartje kun je zien hoe de soevereiniteit van Zuid-Limburg er toen uitzag. Rood = Luik (voornamelijk in het huidige BelgiŽ), bruin = Gulick (Sittard en omgeving) of vrije rijksheerlijkheid, geel = staats, groen = Spaans (vanaf 1713 Oostenrijks). Bijna alle inwoners van dit gebied waren katholiek, maar van de ene dag op de andere werd in het Staatse deel het gereformeerde geloof de staatsgodsdienst. Alleen in Maastricht, dat officieel tweeherig was (Luik en de Republiek Nederland) bleven de twee godsdiensten gelijkwaardig naast elkaar bestaan. Maar in het overige Staatse deel werden de kerken na een tijd toegewezen aan de protestanten. De officiŽle godsdienst was het protestantisme. Het gebied vormde de classis Maastricht met 19 predikanten, die samen hoorden bij de synode van Gelder. In 1663 werden de katholieke priesters officieel verbannen en de kerken en kloosters werden geconfisqueerd door de overheid. De kerken waren bestemd voor de protestanten. In deze kerken mochten geen schilderijen of beelden meer zijn, wegkruisen en kapelletjes moesten worden afgebroken, de kerkhoven mochten geen kruisen meer hebben op de graven. Het lager onderwijs werd geregeld door het "schoolreglement in de steden en ten platte landen". Om les te mogen geven moest je een acte hebben en lid zijn van de gereformeerde religie. Aan de R.K. Geestelijkheid werd op strenge straffen verboden om nog huwelijken te voltrekken.

Kerk Meerssen april 1923 NedermaasRechterafbeelding: Kerk Meerssen, Maandblad Nedermaas april 1923

In 1667, 4 jaar na de officiŽle richtlijnen, werd er geÔnspecteerd wat er van de regels tot dan toe terecht was gekomen. Alle steden en dorpen werden bezocht. In het rapport over Meerssen, een van de Staatse gebieden, staat het volgende: "Alle altaren en katholieke beelden staan nog in de kerk, met een groot kruis boven het koor. Het kerkhof rondom staat vol met kruisen. Het is een mooie kerk, welke evenwel bij gebrek aan reparatie aan het vervallen is. Er is een klooster met een proost en 2 of 3 monniken die via een deur in de kerk kunnen komen. De gerechtsbode en de koster zijn gereformeerd. Onlangs is er nog een gereformeerd gezin naar Maastricht vertrokken. De pastoor woont nog in het dorp, in het klooster worden nog diensten gehouden. Bedelmonniken in pij bedelen langs de deur. De koster klaagt dat de boeren zich veelvuldig meester maken van "de clokken, dat hij geen clokenseelen etc. kan krijgen". De katholieken worden geÔntimideerd door hun pastoor die ze verbiedt om de kinderen naar de protestantse school te sturen. De koster krijgt ook geen "jura en gerechtigheden" van de inwoners, terwijl wel de katholieke pastoor en koster afgelopen Pasen eieren gingen ophalen (een oud recht van de katholieke priesters). Er zijn goederen van het gasthuis en van de stichting Heilige Geest die door katholieken worden gešdministreerd."

Uit bovenstaande blijkt dat de katholieken zich niet op hun kop lieten zitten. Op de lange duur hadden ze dit waarschijnlijk toch niet kunnen volhouden, maar ze werden geholpen door Lodewijk XIV, die in 1672 het land veroverde. De godsdienstvrijheid werd weer helemaal ingevoerd en alle kerken werden teruggegeven aan de katholieken. In 1678 verlieten de Fransen het land weer. De Staten van Nederland namen weer de macht en daarmee kwamen de oude regels, maar nu in meer gematigde vorm, terug. Alle geestelijke goederen werden weer in beslag genomen, maar nu werden de geestelijken zelf geduld. De kerken moesten nu oecumenisch gebruikt worden, d.w.z. er mochten zowel katholieke als protestantse diensten in gehouden worden. Er mochten evenwel geen nieuwe beelden of andere versieringen dan er al stonden geplaatst worden, en als er een protestantse dienst was moesten eerst alle katholieke zaken zoals het altaar afgedekt worden. Dit soort regels ging rond 1680 in. In 1713 werd het Spaans gedeelte van de Nederlanden Oostenrijks. In de Staatse gebieden veranderde vanaf toen tot aan de Franse revolutie weinig. Het zogenaamde simultaneum, het gezamenlijk gebruik van de kerk door roomsen en protestanten, heeft in de betreffende gemeenten op de meeste plaatsen ruim 150 jaar geduurd. Tussen 1830 en 1839 hoorde Limburg met uitzondering van Maastricht bij BelgiŽ. In 1836 besloot Koning Leopold van BelgiŽ dat in alle plaatsen waar het simultaneum nog van kracht was, de kerken teruggegeven moesten worden aan de katholieken maar daar tegenover stond dat toen op veel plaatsen op kosten van de staat een protestants kerkje gebouwd mocht worden. Dat gebeurde ook in Meerssen.

Een droom uit 1818

Meerssen-droom1818Een boek over psalm 62 uit 1742 uit Maastricht blijkt in 1818 in het bezit te zijn van een lid van de protestantse gemeente van Meerssen. Vooraan dit boek staan nl. enkele met de hand geschreven teksten van eigenaren van dat boek. De eerste tekst is moeilijk leesbaar, stamt wellicht nog van de eerste eigenaar van waarschijnlijk rond 1750, maar de tweede, latere tekst, stamt uit 1818, dus vlak na de Franse tijd, en is ondertekend door Maria Smeets. Zij schrijft:

Deeze nagt droomde ik dat ik hier in de kerk in Meersen was. Daar zoude een paar getrouwd worden. Mij dunkt dat het mejuffrouw Wilhelmina Wilmar met den eerwaarden predikant de Kock was. Daar kwam een heer bij mij Ik zag hem meer ???? weet ik niet zegt me niet wie het was, ik was me dunkt mij ganz alleen in de bank. Daarna zag ik als van booven uit den hemel eene hand met eenen dikken goudenen ring aan de vinger als of het een trouwring was. Ok was ik dunkt me ziek vroeg wijn. Toen ik hem niet bekwam zeide ik den koning zal mij wel een weinig wijn geven als ik ziek ben.

Mersen Den ? December (?)(datum en maand nauwelijks zichbaar, inkt vrijwel verdwenen)
1818
Maria Smeets

Maria Smeets, Wilhelmina Wilmar en dominee de Cock

Ik heb geprobeerd te achterhalen wie Maria Smeets, wie dominee de Kock en wie mejuffrouw Wilhelmina Wilmar was. Via o.a. Genlias en nog enkele bronnen heb ik in korte tijd enkele gegevens boven tafel weten te halen.

Maria Smeets, geboortig uit Limmel, Z-Limburg, is zelf getrouwd 15 november 1808 in Meerssen, midden in de Franse tijd dus. De beschreven droom is dus van 10 jaar later. Zij overlijdt 19 maart 1841 in Meerssen en is dan 67 jaar. Ze zal dus in 1773 of 1774 in Limmel geboren zijn, op haar 34e getrouwd (laat!) en ze schrijft de droom als ze 44 is.

Dominee de Cock. Zijn volledige naam is: Gerard Ernestus de Cock, geboortedatum: 04-03-1764, geboorteplaats: Kockengen prov.Utrecht. zn. van Petrus de Cock en Susanne van Antonia , Ü1770. Hij was in 1802 getrouwd met Johanna Sluiterman en lid van de gereformeerde gemeente van de Bilt. (boek 54 Utrechts archief). Johanna Sluiterman overlijdt in 1826. Uit dit huwelijk stammen in ieder geval drie kinderen die in de Bilt werden geboren. 20 mei 1829 trouwt hij te Meerssen met (!!!) Johanna Catharina Wilhelmina Wilmar uit Meerssen. Hij trouwt dus 11 jaar na de beschreven droom met de daar genoemde mejuffrouw Wilhelmina Wilmar! De uitdrukking "dromen zijn bedrog" lijkt hier niet op te gaan.. Dominee de Kock sterft in Meerssen 28 april 1839 in de leeftijd van 75 jaar. Hij is dan dus 10 jaar eerder met Wilhelmina Wilmar getrouwd, nadat nog eens drie jaar daarvoor zijn eerste vrouw was overleden. Gerard Ernestus de Cock familie is overigens geen familie van zijn beroemde tijdgenoot, eveneens predikant, Hendrick de Cock, die 13 oktober 1834 het voortouw neemt bij een afsplitsing in de protestantse kerk, waardoor de gereformeerde en hervormde kerk ontstaan. (zie hiervoor de genealogie van Hendrik de Cock)

Johanna Catharina Wilhelmina Wilmar is geboren op 21 08 1784 te Limmel. Zij overlijdt te Meerssen, 94 jaar oud, op 16-0-1879. Ze trouwt op 44-jarige leeftijd in 1829 te Meerssen, zoals gezegd met dominee de Cock. Wilhelmina Wilmar was het jongste (12e) kind van Antonius Wilmar, geboren circa 1735 te Hulsberg, administrateur, die ongeveer 71 jaar oud 27 11 1806 te Meerssen overleed. Het kerkelijk huwelijk van hem vond plaats op 12 06 1763 te Meerssen met Catharina Wilhelmina van Auw (De vader van Wilhelmina van Auw was in leven stadhouder van Nieuwenborg (Neuburg), schepen van de Hoofdbank Gulpen en Margraten.) De familie wordt vermeld in lidmaatlijsten Gulpen 1758-1760 en van Margraten 1760.
De familie Wilmar blijkt aangetrouwd binnen families van regenten. Dat konden alleen protestanten zijn in het Staatse deel van Zuid-Limburg. Zo was Antonius Wilmar getrouwd met Catharina Wilhelmina van Auw. (oorspronklijk von Ow, Duitse adel) Zij op haar beurt was de dochter van Heinrich v. AUW, geboren 22-08-1669 ‹SINGEN bij Schaffhausen/Hochrhein. Heinrich v. Auw was als schrijver in dienst van het eerste Zwitserse garnizoen. Zo hoorde hij bij het geallieerde leger dat vanwege de voortdurende Franse aanvallen op de Nederlandse Republiek werd gevormd rond 1702 . Snel na zijn huwelijk verliet hij de aanstelling bij het leger en werd tussen 1705 en 1718 schoolmeester bij de gereformeerde gemeente van Eupen. In 1718 wordt hij met zijn vrouw lid van de gereformeerde gemeente van Margraten. Daar wordt hij dan ook koster, schoolmeester en voorlezer in de kerk. Hiermee was hij tevens plaatsvervangend predikant. Mei 1718 verhuist hij van Eupen naar Margraten. Zijn familie wordt slachtoffer van wilde beschimpingen door de RK bevolking. Zijn huis wordt bezet en hij mag geen gebruik maken van de groente van zijn tuin. Na een jaar wordt alles hem teruggegeven en moet de RK kerk hem schadevergoeding betalen. Hij wordt in 1719 en 1723 in het ledenregister van de gereformeerde kerk van Gulpen genoemd. Een volgend lid van deze familie, J.H. van Auw, blijkt een der ondertekenaars te zijn van het document van 25 februari, over de oprichting van een tuchthuis in het voormalige JezuÔtenklooster van Maastricht, n.a.v. de problemen met de bokkenrijders. (Habets 1887)
Er waren in heel Staats Zuid-Limburg slechts enkele regentenfamilies, allemaal protestant en ze trouwden vaak onder elkaar. Zo had je ook Johan Gerard Kemmerling, op 4 februari 1776 te Gulpen geboren als zoon van Johan Matthias Kemmerling en, alweer van Auw: Anna Theresia van Auw. De Kemmerlings waren afkomstig uit Bortscheydt (waarschijnlijk Burtscheid bij Aken). Rond 1740 vestigde Johan Hendrick Kemmerling zich in Gulpen. Hij vervulde hier al snel de functies van voorlezer, koster en schoolmeester. Zijn zoon Johan Matthias was overigens notaris en schepen in Gulpen, secretaris van Margraten en schepen van Heerlen.

Meerssen en de kerk vanaf 1632-1794

Tekening 1849 over toestand kerk Meerssen rond 1800Tekening 1849 over toestand kerk Meerssen rond 1800. Publications 1988.

In Meerssen waren in 1806 1380 personen rooms en 47 protestant. In de tijden daarvoor waren er waarschijnlijk nog iets minder protestanten. In 1647 zien we voor het eerst protestanten in Meerssen. Bij de installatie van een nieuw, protestants, college van schout en schepenen. Maar zelfs toen was er nog geen gereformeerde kerk nodig, want de zes gereformeerde schepenen hadden meerdere functies en woonden zelf niet in Meerssen. 1 mei 1663 echter moesten "alle paepsche Priesters ende Pastooren van wat name, ordre, ofte contie die oock sijn, geene uytgesondert" hun woningen ontruimen en het land verlaten. De kerk zou nog uitsluitend voor de gereformeerde eredienst gebruikt mogen worden. Maar het was duidelijk dat er in Zuid-Limburg veel te weinig predikanten waren om al die kerken te bemannen. Zo werd een van de Maastrichtse predikanten bereid gevonden om ook Meerssen er bij te gaan doen. Met een groep Maastrichtse gelovigen toog hij naar Meerssen voor de eerste dienst en men was van plan om de kerk onmiddellijk te gaan zuiveren als het ware door middel van een soort tweede beeldenstorm van alle paapse afgodsbeelden. De drossaard van Till wist hen er echter van te weerhouden. De leden van de proosdij, het naast de kerk gelegen klooster, weigerden overigens om te vertrekken. Ook stelden ze een protest-akte op tegen de in hun ogen onrechtmatige confisquering van de kerk. In een vroeg tijdstip hadden ze nl. al gedaan weten te kijgen dat hun klooster zou mogen blijven bestaan en dat twee of drie monniken een voorlopige toestemming kregen om in de proosdij te blijven wonen. Uiteindelijk zou het tot 1668 duren voordat Meerssen een eigen predikant kreeg toegewezen. Toen pas werden alle drie de altaren en de beelden verwijderd en kreeg de preekstoel een centrale functie. Waarschijnlijk is toen het meeste, waaronder de beroemde monstrans, vooraf in veiligheid gebracht in de proosdij. In 1670 wordt als enige misstand geconstateerd dat er "een sacramentshuisje met enige figure" te vinden was in het koor. Uit berichten van later datum blijkt overigens duidelijk dat de proosdij het gebruik van de koorruimte voor zich blijft opeisen. In datzelfde jaar lukte het de machthebbers wel om de pastoor het gebied te laten verlaten. Een jaar later werd hij pastoor in het Spaanse Roosteren, maar toen Lodewijk XIV nog weer en jaar later het gebied veroverde keerde hij triomfantelijk terug naar Meerssen. In hetzelfde jaar kwam Meerssen weer zonder gereformeerde predikant te zitten. De toegang tot de kerk werd de protestanten door de Franse machthebbers ontzegd. Het is bekend dat Lodewijk XIV sterk anti-protestants was. In de proosdij mochten toen ook weer meer religieuzen wonen. De verdwenen biechtstoel werd vervangen door een nieuwe, en ook werden er een tabernakel en enkele beelden aangeschaft.

Tekening kerk Meerssen gemaakt in 1839, toen net weer 9 jaar katholiek. Publications 1988Tekening kerk Meerssen gemaakt in 1839, toen net weer 9 jaar katholiek. Publications 1988.

Na het Franse intermezzo kwamen de protestanten terug, maar in 1680 werd afgesproken, zoals in de meeste andere kerken van Staats-Zuid-Limburg, dat de kerken door zowel katholieken als protestanten gebruikt mochten worden. Spanje was nl. in de voorafgaande periode bondgenoot van Nederland geweest tegen Frankrijk, en daar waren dit soort beloften uit voortgekomen. De regels hiervoor waren als volgt: tot 's morgens 9 uur de roomsen, van 9-11 de protestanten, van 11 tot 13 weer de roomsen, van 14-16 de protestanten, na 16 uur weer de roomsen. Het college van schout en schepenen werd evenwel weer bemand met protestanten. Het was zeer moeilijk om deze te vinden, het aantal autochtone protestanten was nog steeds bijzonder laag. In de verslagen van de protestantse kerkenraad wordt meerdere malen geklaagd over het functioneren van het simultaneum. 15 april 1685 kwam een Augustijner monnik uit Maastricht preken. De dienst van de protestanten was nog niet klaar en men trok in grote getale al naar binnen en men duwde de protestanten naar buiten. Andere klachten gingen bijv. over het neerzetten van een kerststal of het in processie met wierookvat en meer de kerk binnen trekken. Overigens was het koor door een muur met deuren afgescheiden van de rest van de kerk, zodat daar beelden e.d. neergezet konden worden, zonder dat de protestanten zich daaraan hoefden te storen. Dit koor werd door de proosdij als hun exclusieve deel van de kerk beschouwd. De muur was 15-16 voet hoog. De deuren waren voorzien van een traliewerk waar gordijnen voor geschoven konden worden, maar ook dat werkte niet altijd. Zo was er eens een klacht dat de katholieken de gordijnen wegschoven en hun hoofden spottend door de tralies staken terwijl de protestantse dienst nog gaande was. De proost had verder het recht tot voordracht van de benoeming van de pastoor van Meerssen en van nog enkele gemeenten. Het was dus een belangrijke katholieke functionaris in die omgeving. Pas in 1732 eisten de gereformeerde predikanten ook het gebruik van het koor op. Dit deel van de kerk was door de proosdij goed onderhouden, terwijl het schip van de kerk bouwvallig aan het worden was en bovendien koud en klam. Een gerechterlijk proces tegen de protestanten mocht niet baten. De verhoudingen waren voor de zoveelste keer grondig verziekt. Men begreep niet wat de predikant wilde, want het koor stond vol met roomse beeltenissen die konden niet makkelijk tijdig onzichtbaar worden gemaakt. Toen in 1733 de proost was overleden werd het koor volgebouwd met een protserige lijkstatie. De protestanten gingen toen van arren moede maar weer hun dienst houden in het schip van de kerk. Vanaf toen bleef het koor weer het exclusieve domein van de proosdij en de katholieken. Het kerkgebouw werd inmiddels steeds slechter. 12 december 1747 stortte tijdens een storm het dak in. In 1750 gaven de "Heren Staten" het groene licht om de kerk te restaureren. In 1751 kon het gebouw weer in gebruik worden genomen. Dit is dan de kerk zoals deze ook gekend is door Maria Smeets en zoals deze bediend is door predikant de Cock. Een beeld van het interieur, maar dan net drie jaar uitsluitend katholiek, kunnen we ons vormen door een tekening uit 1839, en van het eerdere simultaneum-voorkomen, door een tekening uit 1849, getekend naar de toestand van 1800. (volgens Munier kan deze tekening overigens niet als echt waarheidgetrouw worden gezien)

Bronnen:

Mei 2009, Pieter Simons

 Ziet u slechts 1 pagina?
klik hier voor de volledige website
"Voorouders uit Midden-Limburg"